EVEN ER TUSSENDOOR : De man met de merkwaardige hond
AMSTERDAM - Het was één en al blauwe lucht en zon, dus de dag had goed moeten beginnen. Maar juist op Koningsdag – als iedereen weg is om te feesten of er vandoor te gaan – deed mijn telefoon het niet.
Wat het precies was kan ik zelfs nu niet navertellen, maar ge-luk-kig heb ik een digitaal talentvolle buurman die bereid was mij te helpen. Misschien kwam ik daardoor in de stad op heel andere plekken terecht dan ik gewend was.
Amsterdam is groot en enorm gezellig, al is het op zo’n dag wel erg druk.
Aan het begin van mijn tocht stond ik boven op een hoge brug. Het bonkende geluid van de boten beneden viel me op. Ze zaten vol met in oranje jassen geklede feestgangers die naar me wuifden en “Mooie Koningsdag!” riepen.
Ik liep verder langs straten waar op kleedjes een hele verzameling gloednieuwe bakpannen lag uitgestald. Boeken, kledingrekken. Maar ik besloot een zijstraat in te slaan, op zoek naar een rustige gracht.
Misschien kwam het door het lawaai en het vrolijke geschreeuw, maar het was een verademing toen ik daar aankwam. Hoge bomen langs het trottoir, lage benedenhuizen met smalle voortuinen.
Op een bank zat een goed geklede vijftiger, met naast zich – helemaal opgerold – een zwarte hond. Ik bleef verbaasd staan. Het leek wel een kluwen van zwarte lintjes die glansden in de zon. Je zag geen ogen en geen oren; alleen een vermoeden waar de kop zat.
“Sorry meneer… is dit uw hond? Hij kan toch niets zien?”
De man – hij vertelde dat hij Lodewijk heette – glimlachte en sprak me tegen. Na enige aansporing hief de hond even zijn kop, maar nog steeds waren er geen ogen of oren te ontdekken.
“Hij ziet alles,” zei Lodewijk. “Dit is een Tibetaanse tempelhond. Een Lhasa Apso. Een heel oud ras, al duizenden jaren.”
Ik had zo’n hond nog nooit gezien.
“Blaft hij veel? En bijt hij?”
“Hij blaft nooit,” zei Lodewijk beslist. “En bijten doet hij ook niet.”
Het viel me op dat de hond zijn kop niet naar mij toedraaide en rustig bleef liggen. Maar dat kon ik door al die haren eigenlijk niet goed controleren.
“Nooit blaffen?” vroeg ik nog eens.
“Hij loopt graag elke dag een flink stuk met me mee,” zei Lodewijk, “maar blaffen… nee. Hij eet twee keer per dag: ’s ochtends wat droogvoer en ’s avonds een beetje natvoer van een speciale slager. Tussendoor eet hij graag stukjes fruit of groente.”
“Echt waar?”
“Vooral banaan. En appel. Verder is hij rustig. Hij zit het liefst naast me, op een bankje of op een kussen, een beetje verhoogd. Dan kijkt hij gewoon.”
Lodewijk vertelde dat hij schrijver was. De hond zat graag naast hem als hij werkte.
Ik zei dat we collega’s waren, omdat ik een krant op internet maak. Dat je die gewoon op je telefoon kunt lezen. Hij keek er niet naar.
Toen ik naar zijn achternaam vroeg, zei hij dat dat niet belangrijk was.
“Schrijft u soms stoute boeken?” vroeg ik.
“Nee. Literatuur.”
Hij was vriendelijk, maar toch had ik het gevoel dat er een kleine kloof tussen ons bestond.
Ik zei dat ik zijn hond mooi vond, maar vroeg me af waarom hij zo graag op een verhoging zat.
“Natuurlijk,” zei Lodewijk. “Het is een tempelhond. Net als monniken. Dat begrijp je toch wel.”
Toen vertelde hij dat de hond Uzi heette.
Ik perste even mijn lippen op elkaar.
“Uzi… maar dat is toch de naam van een geweer?”
Dat ontkende hij niet. Hij begon iets sneller te praten.
“Het is ook een eigennaam. Je kunt gewoon Uzi heten.”
Ik haalde diep adem.
“Maar voor zo’n vriendelijke, nooit blaffende tempelhond klinkt het wel een beetje…”
“Vreemd,” maakte hij mijn zin af. “Maar dat is het juist niet. Heb jij ooit in je leven in een tempel een hond horen blaffen?”
Dat moest ik toegeven.
Daarna besloot ik zo snel mogelijk verder te lopen en de juiste weg naar huis te zoeken.
Sommige ontmoetingen blaffen niet, maar blijven toch nog even in je hoofd zitten.









